Een dag in verzorgingscomplex Huize Coriovallum
Eén op de vijf mensen in Nederland krijgt dementie. Dat stelt Alzheimer Nederland. Een kwart van hen kan niet meer zelfstandig thuis wonen. Valt er dan nog wat van het leven te maken?
Het schemert in de studio van Bo Rademakers (71). De avond valt en het licht is uit. Bo – de ogen omrand met zwarte kohlpotlood – kijkt vanaf de eettafel uit over de parkeerplaats. ‘Of ik gelukkig ben?’ Ze laat een stilte vallen. ‘Nee. En ik wil het er niet over hebben.’
Bo woont in Huize Coriovallum; een verzorgingscomplex voor voornamelijk mensen met dementie en eventuele partners. Ze wonen er zoveel mogelijk zelfstandig, met gezamenlijke maaltijden en 24-uurs zorg.
Mieke en Rudolf Meyer (beiden 83) verhuisden vorig jaar naar deze plek. Rudolf kreeg drie keer kanker en Mieke – geverfde bob, panterbloesje met pofmouwen – heeft alzheimer. ‘Of ik gelukkig ben?’ Rudolf schiet vol, zijn ogen worden rood en glazig. ‘Héél erg.’ Mieke toont het kippenvel op haar onderarmen: ‘Ik ook.’ Ze lacht schalks naar Rudolf. ‘We kunnen ons nog goed verstaan hѐ jong? We slaan elkaar nog niet de koppen in.’ Rudolfs ogen twinkelen achter zijn bril. ‘Nog niet nee!’
Harmonie
Tot vier jaar geleden was dit het pand van het UWV. De gemeenschappelijke ruimte was hun ontvangsthal. Nu fungeert de zaal van tien bij tien meter als eetzaal en ontmoetingsruimte. ‘Niet ideaal’, vindt locatiemanager Sandra. ‘Er zijn geen tussenmuren of hoekjes waar bewoners prikkels kunnen vermijden. Gelukkig hebben we toestemming gekregen voor een harmonicawand, dan kunnen we toch wat rust creëren.’ Tijdens de maaltijden zijn bijna alle bewoners beneden. Metalen opscheplepels tikken tegen de RVS warmhoudbakken. Verzorgers lopen af en aan om alle tafels van eten te voorzien. Over de hoofden van de bewoners roepen ze instructies naar elkaar.
‘Ik zou er zelf overprikkeld van raken,’ zegt Sandra. Dat brengt haar op een incident van vorige week: ´Een demente bewoner raakte óók overprikkeld. Hij liep heel onrustig door de gemeenschappelijke ruimte, klampte steeds bewoners aan en wilde de hele tijd naar buiten. Toen bewoners en personeel hem riepen, raakte hij overprikkeld. Hij richtte zich op vanuit zijn stoel, keek boos naar een verzorgster en maakte een dreigend gebaar met zijn hand.’
Onrust komt veel voor bij mensen met dementie. Prikkels komen sterker binnen. Daarnaast kunnen ze door hun dementie minder goed duidelijk maken wat hen dwarszit. Dat kan leiden tot irritatie, boosheid en soms dus agressief gedrag, zoals bij deze bewoner.
‘Als hij mij ook maar met één vinger had aangeraakt, had ik hem een knauw gegeven,’ zegt bewoonster Wies Kowalski (84) over het incident. Haar echtgenoot Wim (82) reageert: ‘Een medebewoner had hem bijna de deur uit gezet.’
‘Voor die meneer is het ook heel moeilijk,’ nuanceert Sandra. ‘De dementie speelt hier een rol. Hij eet de maaltijden nu vaker in zijn studio, omdat dat rustiger is voor hem. Eigenlijk hoort hij in een gesloten inrichting, maar hij is niet meer in staat om toestemming te geven en zijn familie wil hem hier houden. Of hij op deze manier nog kwaliteit van leven heeft?’ Sandra blijft voor het eerst deze dag een paar seconden stil: ‘Heel eerlijk: ik denk van niet.’
In het kantoor van Sandra hangt een poster met de tekst: niet altijd zichtbaar, wel altijd aanwezig. Sandra: ‘De enige vraag die er voor mij toe doet, is wat voor de bewoners belangrijk is. De insteek is dat iedereen hier kan blijven wonen tot aan zijn dood. Daar willen we alle zorg voor leveren. Maar het zal een uitdaging worden om de harmonie zoals die nu is te bewaren.’ Sandra beschermt de gezelligheid door intakegesprekken met aspirant bewoners op locatie te voeren. ‘Zo kunnen we van beide kanten ervaren of iemand zich hier thuis kan voelen. Daarnaast stellen we met het team een tafelindeling op, zodat tijdens de maaltijden dezelfde types bij elkaar zitten. Dat houdt de sfeer goed.’
Studentenhuis
Sjoelen! Wies, Mien, Hannie, Aaltje en Emma spelen. Emma´s man Jules kijkt toe. Emma – jaren ’50 Cat-eye bril – is als eerste. ‘Je moet de schijven instralen,’ gebiedt ze haar man. Ze sjoelt met vinnige bewegingen. Haar lippen spannen samen en rimpeltjes vormen zich om haar mond. ‘Potverdikkie, ik laat me toch niet kennen!’ Dan is Hannie aan de beurt; broos van postuur, haar wangen zachtroze, haar ogen glimmen. Ze heeft een blik als van een pasgeboren baby, die wél kijkt maar niet ziet. Met haar gekromde vingers krijgt ze de schijven halverwege de bak. ‘Kom op Hannie, meer kracht. Méér kracht!’ moedigt Emma aan. Vervolgens naar de groep: ‘Die heeft geen kracht meer.’ Stiekem schuift Emma af en toe een schijfje in een vakje. Pogingen tot een serieus gesprek over geluk (‘Wij zijn met alles tevreden. Wij sliepen nog op strozakken.’) verstommen wanneer Jules stiekem sjoelschijfjes uit de bak pikt. Emma tikt hem op de vingers: ‘Foei!’
‘Mijn man heeft dementie.’ Vroeger was hij mijnwerker, koempel, maar na de sluiting van de mijnen werkte hij in een fabriek in Duitsland. ‘Veel massa,’ zegt Jules over de fabriek. Emma schiet vol. ‘Dementie heb je samen en niet alleen.’ Ze geeft Jules een knuffel. En Jules bromt iets over: ‘Veel massa.’
‘Overschat de gezelligheid in zo’n verzorgingshuis niet.’ De dochter van een bewoonster Ada is op bezoek. ‘Het is geen studentenhuis. De meesten hier zijn cognitief niet meer scherp. En ze lijden continu verlies. Ze hechten zich aan medebewoners, die vervolgens overlijden.’ Aan de andere kant: ‘Thuis zou mam ook maar alleen zitten. Toch mam?’
‘Hѐ?’ Ada leunt naar voren en draait in met haar oor. ‘Vind je het fijn hier?’ vraagt haar dochter. Na twee keer harder herhalen (‘Wat je fijn vindt hier’), antwoord ´mam´: ‘De mensen wat er zitten.’
IJsje
‘Gevonden!’ Mieke en Rudolf Meyer schuiven hun stoel dichterbij en tonen een filmpje van hun zestigjarig huwelijksfeest in het verzorgingshuis. Op het beeldscherm verschijnt dezelfde zaal. Bewoners kijken vanaf hun stoel naar een polonaise door het middenpad. In die polonaise: enkele blondines – ‘de dochters en de verzorgsters’ – en Rudolf. Vóórop. Hij zwaait met zijn armen en glimlacht van oor tot oor.
Rudolf toont nog meer foto’s en filmpjes van het feest. Hij grijnst als hij naar het schermpje kijkt. Zijn ogen worden spleetjes achter zijn bril. Hij is even dáár. ‘Doehoehoe,’ zingt hij. ‘Du allein kannst mich versteh’n,’ valt Mieke bij. Het is het eerste lied waarop ze samen dansten.
Ze moeten gaan; een ijsje halen in buurdorp Amstenrade. Miekes ogen twinkelen. Als van een kind dat een snoepje jat zonder betrapt te worden. Ze port plagerig haar vuist in Rudolfs buik: ‘Hè jong.’ Dan zachtjes: ‘Ik heb toch wel wat te klagen hoor.’
Saskia & Serge
De uitslag van het sjoelen: Hannie wordt laatste. En Mien wint. Met sjoelen én met grappen:
‘Als je op je ene handpalm een mug hebt en op je andere een musch [red.: Limburgs voor vagina], wat krijg je dan?’
Stilte.
‘Jeuk aan dien musch!’
Mien lacht haar tandvlees bloot en schokschoudert van het lachen. Emma buigt hoofdschuddend haar nek. Haar mondhoeken krullen omhoog. Dan valt het de dames op dat Aaltje een blaar op haar lip heeft.
‘Die heeft staan zoenen!’ roept Emma uit.
Mien gaat eroverheen: ‘Waarom hebben sommige condooms een suikerlaagje?’ (…) ‘Tegen zuurpruimen!’
Na het sjoelen hervatten de dames hun gesprek over geluk. ‘Het zijn de kleine dingen die het doen,’ stellen ze eensgezind. En dan, als een Pavlov reactie, gebeurt er iets wat gedurende die dag nog vaker zal gebeuren. De dames zingen het refrein uit het gelijknamige lied van Saskia en Serge. Bewoners aan de andere tafels vallen bij. En zo ontstaat een gezang in canon, dat zich echoënd verspreidt door de ruimte. Als een kiezel in het water dat een rimpeling veroorzaakt: ‘Het zijn de kleine dingen die het doen, die het doen. Het zijn de kleine dingen die het doen.’
Avondeten. Vanaf een ijzeren trolley scheppen verzorgers het sous-vide gegaarde eten op de borden: karbonade zonder bot in jus, aardappelschijfjes à la crème en grauw gekleurde zomergroenten. Mét bakje appelmoes. Het toetje: pudding of vruchtenyoghurt. Met een grote toef slagroom. Daarover hebben de medewerkers wel eens discussie, vertelt een verzorgster. ‘Maar als je die mensen zo blij ziet worden van een beetje extra slagroom, dan doe je dat toch gewoon?’ Hannie vraagt of de bus zo komt. ‘Maar Hannie! Je woont hierboven, was je dat vergeten?’ Hannie laat zich gelaten terug in haar stoel zakken en lepelt met glazige blik haar toetje op.
Voor anker
‘Binnen!’ roept Wies Kowalski na het avondeten vanuit haar appartement op de vierde verdieping. Ze typt op haar laptop, aan een donkerhouten tafel met Perzisch kleedje. Wim kijkt een film over piraten met grote schepen. ‘Ik geloof dat iedereen hier heel gelukkig is. Wij zijn ook heel tevreden, hè Wim? Ik heb altijd veel hobby’s gehad. Ik maak poppen, fotoboeken en kaarten. En Wim doet graag puzzelen, toch Wim? Hij is altijd bezig met woordzoekers.’
‘Nou,’ reageert Wim, ‘altijd is wat overdreven.’ Hij sluit zijn ogen en tuit zijn lippen.
Wim reisde als zeevaarder de wereld rond. Wanneer het stormde op zee, hoorde hij onderdelen van de boot kraken. ‘Prachtig vond ik dat! Ik, een Héérlenaar, die op zee werkte. Vijf maanden per jaar de wereld over varen. Dat was geweldig hoor.’ Nu is hij tevreden als hij ’s avonds voor de tv zit met twee sigaren. ‘En een sigaret,’ vult Wies aan. Wim: ‘Een sigaar en een sigaret. Dat is dan je leven.’
De koekoeksklok slaat acht keer. De rollator naast Wim getuigt dat hij inmiddels voor anker ligt. ‘Ik was gewend om altijd onderweg te zijn en nu mag ik niet eens zelf wandelen.’ Met hardere stem: ‘Waarom eigenlijk niet? Het is niet dat ik verdwaal ofzo.’ Wies: ‘Dat is het hem nou juist, je verdwaalt wél.’ Wim kijkt uit het raam. Grijze pantoffels aan zijn voeten. Dementie in zijn hersenen. Op televisie klinken geweerschoten, mannen schreeuwen. Wies pakt de afstandsbediening van de salontafel en zet de televisie zachter. ‘Maar we hebben er vrede mee, hè jong?’ Wim tuit zijn lippen en sluit zijn ogen achter zijn bril.
Fuck
In dezelfde gang is de studio van Bo. Geen koekoeksklok, Perzisch tapijt of fotolijstjes. Maar moderne en strakke meubels: donker van kleur en hoekig van vorm. Uitzonderingen zijn het zachte witte kleed, het witte ronde koffieapparaat van Dolce Gusto (‘Die gebruik ik eigenlijk nooit’) en de lichtgrijze bank met ronde vormen. De inrichting reflecteert twee kanten die ze vandaag laat zien: hard en donker versus zacht en licht.
Hoewel Bo’s ogen moeilijk zichtbaar zijn door de schaarse lichtinval, láát ze zich deze avond wel in de ogen kijken. Jarenlang verbloemde ze haar stemmingsklachten met vrolijkheid. Die stemmingsklachten begonnen al vóór het lederwarenhuis van haar familie failliet ging, vóórdat ze scheidde van haar toenmalige vrouw, ze in transitie ging en twee van haar kinderen het contact verbraken en ze parkinson kreeg. ‘Laat ik het zo zeggen: als je na de zoveelste zelfmoordpoging bijkomt in het ziekenhuis en de verpleegster zegt: “Je mag blij zijn dat je nog leeft,” dan heeft ze het niet begrepen.’
Gelukkig is Bo niet, wel tevreden. Tevreden met de plek waar ze woont: ‘Een fijne plek, met fijne mensen.’ Vroeger reed ze motor. Nu wandelt ze zelden meer, uit angst om te struikelen. Toch voelt ze zich in haar hoofd vrij: ‘Ik ben 71, ik hoef niks meer, iedereen mag weten dat ik somber ben. En anderen? Fuck! Ze kunnen de pot op!’ Bo weet inmiddels: somberheid gaat wel weer over. ‘En als ik echt een oppepper nodig heb, dan loop ik naar de gemeenschappelijke ruimte. Dan zie ik mensen scheefgezakt in een rolstoel en realiseer ik me dat het altijd slechter kan.’ Bo grijnst een rij rechte tanden bloot.
Het is avond. De tafels in de gemeenschappelijke ruimte zijn afgeruimd, de vaatwasser draait en het licht is gedimd. De bewoners hebben zich teruggetrokken in hun appartementen. Rudolf en Mieke Meyer zijn terug van het ijsje eten. Wanneer ze binnenkomen stelt Mieke zich opnieuw voor: ‘Bent u de nieuwe activiteitenbegeleidster?’ Rudolf reageert verbouwereerd: ‘Maar Mieke, dat weet je toch nog wel. We hebben vanmiddag met haar gepraat!’ Mieke weet het niet meer. Maar het ijsje was lekker. Vanille met verse aardbeien en stukjes witte chocolade.


Geef een reactie